Beatrijs vanuit Beijing: Kunst, Nepsneeuw en Naaldhakken

Al vanaf het eerste jaar van mijn opleiding Fine Arts aan de Hogeschoool voor de Kunsten in Arnhem wilde ik naar China. Zowel vanwege het Taoisme dat me al lange tijd interigeerde alswel de paradoxale maatschappelijk status waar China zich in bevindt. Onder de noemer van toen nog ‘aankomende wereldmacht’ – iets wat het land in de afgelopen maanden bijna lijkt te hebben verwezenlijkt – is het evengoed een land waar mensenrechten, vrijheid, en millieubeleid geen vanzelfsprekendheden zijn.

China leek me een land met oneindig veel lagen, paradoxen en tegenstellingen, waar ik alleen meer hoogte van zou kunnen krijgen door het te bezoeken. Daarbij komt dat, in vergelijking tot andere Aziatische landen, de moderne kunst in China mateloos interesant is. Enerzijds is het sterk beïnvloed door China’s recente verleden, de culturele revolutie, maar ook door westerse kunststromingen zoals de Pop-art. Anderzijds is het juist nog heel ambachtelijk en traditioneel. Deze gekke mix maakt Chinese moderne kunst ook nog eens tot de duurst verkopende kunst van de wereld. Toegelaten worden op “de beste kunstacademie in China“, de Central Academie Of Fine Arts (CAFA) in Beijing, was dan ook geweldig. Na heel veel gebel, gemail en geregel, lukte het me mijn academie aan die in Beijing te linken, en kreeg ik een beurs van de Nuffic en zo ook een studentenvisum.

Toen ik in Beijing de academie gevonden had, bleek de CAFA heel wat minder georganiseerd dan verwacht. Ondanks dat ik mijn ingestuurde portfolio terug vond op de desk van de international students coordinator beweerde hij stellig mijn portfolio nog nooit gezien te hebben. Het duurde dan ook een hele tijd voordat ik eindelijk de door mijn beurs beloofde kamer kreeg in het international student house en op de afdeling ‘sculpture’ werd geïntroduceerd.

Dit veranderde echter wel een hoop. Ik verbleef al een maand in China en alhoewel de Chinese studenten nauwelijks een woord Engels praatten (en ik ook geen woord Chinees), maakte mijn introductie aan de Brons-werkplaats een einde aan het onbestemde gevoel dat ik van begin af aan had in Beijing. Het slenteren door de inmens lange en brede straten van deze metropool, die in de verte opgingen in smog, door enorme verlaten westers ogende shopping malls of opkijkend tegen alle statische kantoorkolossen, op zoek naar wat gezelligheid of een eettentje met een Engelse kaart zodat ik niet weer aangenaam verrast hoefde te worden door hele kippen in mijn soep, darmen, hersenen of hondenvlees.

Mijn nieuwe klasgenootjes brachten me naar de beste eetplekjes, kleine feestjes, tentoonstellingen, lezingen, en stelde me voor aan een aantal Chinese studenten die goed Engels praatten. Life began…

Ik vond het heerlijk om in mijn Brons-klas in stilte te werken, en door middel van gebarentaal en tekeningetjes toch nog wat uit te wisselen met de studenten. De manier van werken beviel me erg, heel handvaardig bezig zijn, dicht bij het materiaal, terwijl wij in Europa erg geconcentreerd zijn op denkproces, concept en ideeontwikkeling. Het handvaardige niveau was dan ook schrikbarend veel hoger. Ter illustratie: de tweede dag dat ik de klas binnen kwam stond er een hele kleine miniatuur versie van mij op tafel, precies ik maar dan in mijn blootje. Ik schrok me rot. Een student waarmee ik wat had opgetrokken had een identiek beeldje van me weten te maken in de halve dag dat hij mij had gezien, het naakte lichaam had hij er blijkbaar onder gefantaseerd.

Ondertussen had ik een groepje internationale studenten leren kennen waar ik vaak mee optrok. We legden kilometers af met de taxi of subway om onze favoriete restaurants te bezoeken, konden met gemak een private dining room betalen, bezochten een van de weinige jazz bars en eindigden dronken van de goedkope ‘fake- alcohol’ in de eerste club die Beijing kende. De eerste nachtclub van de stad, Propaganda, opende in 2000 en lag aan de rand van een groot universiteitengebied; het stikte er van de internationale studenten en de progressieve Chineze studenten. Op “lady’s night“ waren voor mij de eerst vijf drankjes gratis en was Lady Gaga opeens ook mijn favoriete popstar en stond ik mee te springen op de dansvloer. Vooral Chineze meisjes vonden me altijd erg interresant, wilde met me dansen en namen uiteindelijk afscheid met ‘I love you!’

Deze plek was een typisch voorbeeld van de plekken waar je even kunt vergeten dat je aan de andere kant van de wereld zit – je voelt je opeens weer heel dicht bij huis.

China is goed in manipuleren. Van nepsneeuw in de winter en een blauwe lucht in de zomer, het kunstmatig stabiel houden van de yuan, tot kleine westerse wereldjes in de stad die je even het cultuurverschil en alle armoede en ellende van de rest van het land doen vergeten. Net zoals de duizenden Starbucks’ die de stad telt, waar je kerstballen kunt kopen in december en altijd een westers toilet vindt. En dan de weliswaar verlaten shopping malls met altijd dezelfde samenstelling van winkels – Prada, Gucci, Swarovski, Zara, en ga zo maar door. En de Chineze middenklasse? They love it! Maar het gekke is dat er van deze samengestelde shoppingmalls niet een is gebouwd maar gelijk duizenden. Hetzelfde geldt voor de verlaten flattenwijken aan de rand van Beijing en in de rest van China. Het zijn slechts spooksteden, gebouwd vanwege de verwachting en de hoop dat de economie zo door zal groeien, en uiteindelijk elke burger van de People’s Republic of China in een flat kan wonen.

Toen ik wat beter Chinees leerde spreken werd me meer duidelijk hoe de Chineze studenten zelf tegen hun land aankeken. Wat me opviel was het begrip en het vertrouwen dat mijn Chineze vrienden hadden in de overheid. De eenkind politiek was vervelend maar noodzakelijk voor China – net als de beperkte vrijheid die men nog steeds heeft door internet-, krant- en televisie-censuur en de slechte omstandigheden op de arbeidsmarkt. Veel mensen gaan de discussie uit de weg. Mao was ‘ not so nice’ maar zijn idee dat de staat voor gelijkheid en rechtvaardigheid zal zorgen als je maar in vrede je taak blijft vervullen voor haar, is duidelijk nog niet verdwenen.

Behalve al mijn kritiek liep ik ook tegen mezelf op. Wie ben ik als burger van zo een inie-minie landje als Nederland die trots haar democratie aan iedereen verkoopt? En hoe vrij ben ik eigenlijk? Op het moment dat ik in Beijing verbleef werd het huidige Nederlandse kabinet samengesteld… Hoeveel van mijn ideeën over de Chinese cultuur zijn ingebakken westerse vooroordelen?

Hoe langer ik in China verbleef en naar het zuiden afreisde (Shanghaiguan – Hebei- Shanghai – Chengdu – Kunming – Lugu Hu – Xichang – Hefei – Tunxi – Huang Shan) hoe onduidelijker het me werd. Soms leek ik te worden opgenomen in de massa’s mensen in de stad of leek ik te verdwalen in het ongerepte Chinese landschap. Altijd stuitte ik dan toch weer op een Starbucks of  Pizzahut, kwam ik op besneeuwde bergtoppen drie sterren hotels tegen, geasfalteerde wegen of meisjes op naaldhakken – en was ik weer toerist. Wat ik vooral heb gezien en ervaren is China als een land in beweging. Een land met oneindig veel energie dat uit een flinke culturele indentiteitscrisis probeert te krabbelen.

In de zuidelijke provincie Yunnan verbleef ik met twee vrienden een aantal dagen bij een klein traditioneel volkje. Ik zat naast de oude grootmoeder van het gezin aan een kampvuurtje en at het vlees van hun pasgeslachte varken die nog aan de waslijn hing uit te lekken.  De grootmoeder wilde niet op de foto omdat ze dan haar ziel verkocht. Ze was gekleed in een traditioneel gewaad met een grote doek om haar hoofd. Aan mijn andere zijde echter zat haar kleindochter, een meisje van een jaar of elf in spijkerbroek en een witte plastic bubbeltjes jas met haar mobieltje te spelen. Dit was voor mij het contrast dat China was in een notendop.

Beatrijs Dikker deed in 2010-2011 een master aan het Central Academy of Fine Art in Beijing. Zij kreeg hiervoor een beurs van het China Programma van Nuffic. Voor vragen en meer informatie over studeren in China, stuur een e-mail naar voorlichting@newstudent.nl. Voor meer informatie over het China-programma, kijk op www.nuffic.nl/nederlandse-studenten/financiering/beurzen/china-programma.

Column: Studeren in Boedapest is als Hongaarse wijn

Wanneer ik op een feestje vertel dat ik mijn master politicologie in Hongarije heb gehaald, krijg ik vaak een niet begrijpende blik terug. Of misschien een beleefd “goh, interessant, maar wáárom Hongarije?”. Ondanks haar vele nobelprijswinnaars, schrijvers, dichters en componisten, en een van ‘’s werelds grootste goochelaars, staat Hongarije niet direct bekend om haar internationaal gerenommeerde opleidingen. “Met uitstekend Nederlands onderwijs of uitstekende studies in Engeland of Amerika, is het toch vreemd om voor een vrij onbekende universiteit in Centraal Europa te kiezen?”, vroeg een journalist me laatst, die een reportage maakte over de regio. Toch koos ik hiervoor. Ik haalde mijn master in politicologie aan de Central European University, een Amerikaanse universiteit in Boedapest. Hier heb ik excellent onderwijs genoten en maakte ik niet alleen deel uit van een international bubble, maar ook van de razendsnelle politieke en culturele ontwikkelingen in Centraal en Oost Europa.

CEU is twintig jaar geleden, vlak na de val van de muur, opgericht. Een enorme donatie van de oorspronkelijk Hongaarse, maar Amerikaans genaturaliseerde, hedgefund miljardair George Soros, en een organisatie van Oost-Europese intellectuelen die zich al tijdens het Sovjet regime ondergronds hard maakte voor een wereldwijd erkende opleiding in de regio, zorgden ervoor dat begin jaren ‘90 in korte tijd een kwalitatief sterke universiteit werd opgericht. Het onderwijsmodel is Amerikaans, diploma’s geaccrediteerd door New York, de professoren komen van over de hele wereld, er worden voornamelijk masteropleidingen aangeboden, de selectie is streng, beurzen worden op basis van prestatie vergeven, en de studentenpopulatie is één van de meest internationale ter wereld: met mij studeerden meer dan 100 andere nationaliteiten af in juni 2011. Inmiddels doet CEU het zeer goed in internationale ranglijsten, met name hun opleidingen politicologie. De vraag: “En moest je dan Hongaars leren, om je vakken te volgen?” op het feestje is dan ook snel beantwoord met een “nee”.

In Boedapest kon ik het beste van twee werelden combineren. Ik maakte deel uit van een internationale, vrijdenkende studentengemeenschap. Een echte ‘bubble’, waarin iedereen elkaar kent en je dezelfde personen steeds tegenkomt. Een prachtige bubble, want ondanks de verschillen (hoe anders is het om op te groeien in Taiwan, Kirgizië, Ethiopië, Chili of Nederland?), gingen conflicten niet veel verder dan over gestolen kaas. Een bubble waarin mensen ook waanzinnig hard werkten, en we voor studenten aan andere universiteiten veelal bekend stonden als ‘brainy’. Echte studentenorganisaties, zoals wij die in Nederland kennen, kwamen dan ook moeilijk van de grond. Toch was de sociale integratie, om het netjes te noemen, hoog. Het merendeel van de studenten woont voor een jaar in Boedapest, komt uit het buitenland en kent vaak nog helemaal niemand. Allemaal in dezelfde positie, sluit je snel hechte vriendschappen. Clubjes om anderen te leren kennen of banden te versterken, waren daardoor eigenlijk overbodig.

“Maar merk je dan eigenlijk wel iets van wat er in Boedapest gebeurt?”, wordt me dan gevraagd wanneer ik hier over vertel. De tweede ‘wereld’ waar ik ook deel van uit maakte, was die van de Hongaarse en Centraal-Europese politiek. Je wordt meegenomen in de razendsnelle politieke ontwikkelingen die zich daar afspelen. Niet alleen merk je veel van de recente toetreding tot de Europese Unie, (van aanplakbiljetten in de metro die door de EU gesubsidieerde projecten over internetveiligheid aankondigen tot fototentoonstellingen over Europa op straat tot streng beveiligde kordons met high ranking officials die snel voorbij scheuren ten tijde van het Hongaars EU-presidentschap), het wereldwijde mensenrechten discours heeft zich ook meester gemaakt van Centraal en Oost-Europese activisten. Tegelijkertijd wint ook in deze regio recht populisme en extremisme aan populariteit en macht. Dit leidt tot een groot aantal spanningsvelden, te zien in bijvoorbeeld het integratiebeleid van de Roma, vrijheid van meningsuiting en de rechten van homoseksuelen.

Weer op het feestje: “Dat klinkt allemaal zo serieus. Is het daar dan wel leuk? Wat kan je er doen?” Het dagelijks en culturele leven van Boedapest is rijk. Anti-kraak panden worden omgetoverd tot restaurants en cafés. In Boedapest is kunst niet weggestopt in musea, maar onderdeel van het dagelijks straatbeeld. Concerten zijn er in overvloed. Naar de opera kan je voor €3,-. En wonen in Boedapest is als de Hongaarse wijn: lang zo slecht nog niet.

Boedapest heeft mij zeer uiteenlopende ervaringen gegeven: academische uitdaging, maar ook deelgenoot zijn van de onderwerpen en gebeurtenissen die je bestudeerd, in een prachtige stad, met gelijkgestemden medestudenten. Dit had ik moeilijk ergens anders kunnen krijgen. “Is het wel goed voor je CV?” is de laatste veelgehoorde vraag die ik krijg. Ja, merk ik, want door alles wat ik heb meegemaakt en gezien tijdens mijn studie, maar ook juist door de locatie van mijn studie, heb ik niet alleen op feestjes, maar in bijna iedere andere setting, altijd wel wat te vertellen.

Martine van der Lee is ex-voorzitter van NEWS.